logo

Een visser is geen teerkrabber

Het is een jaarlijks terugkerend ritueel waar de meeste visser met weinig plezier naar uitkijken. Het schilderen van de kotter. 1 of 2 weken in het jaar moet het gebeuren, de stripmessen, boetnaalden en oliepakken worden ingeruild voor overalls, schuurtollen, verfpotten en kwasten.

De meeste vissers zien deze onderhoudsweken dan ook met argusogen tegemoet. Het liefst wil niemand deze weken mee maken alleen beseft iedereen dat het er eenmaal bij hoort. Ook al werk je die dagen van 8 tot 6 en kan je een normaler leven dan normaal leiden. Ondanks de gein en het plezier lijkt er aan die twee weken geen einde te komen.

2016-07-07_001953[1]

De vrijdag voorafgaand aan de klusweken is meestal een van de meest chaotische dagen, voor een visser, van het jaar. De dag dat je weer in de haven komt van een week vissen om vervolgens vis te lossen, netten moet na kijken, de kotter helemaal gesopt moet worden en het liefst ook nog op tijd thuis wil zijn om weekend te houden. Vaak is dat soppen op zee ook al gebeurd maar in de haven wordt het schip nogmaals schoon gemaakt. Zo schoon dat je van het achterdek kan eten.

Helaas is die schoonheid van zeer korte duur. Wanneer op Maandag alle attributen voor de dag worden getoverd die nodig zijn om roest plekken te bewerken is de glans snel van de kotter verdwenen. Verf stof gaat op alle plekken zitten waar het maar kan komen, ook op plekken waar je het liever niet wil hebben. Binnen de kortste keren zit het vissersschip er uit als een sloopboot. Een sloper  die beter direct naar de hoogovens gevaren kan worden dan dat hij weer naar zee zou kunnen gaan.

Gelukkig weet elke visserman dat er van de kotter eerst een sloper gemaakt moet worden voordat hij er weer als echte knappe goed onderhouden kotter uit kan zien. Een resultaat om verlangend naar uit te kijken.

Meestal gaat het proces, van sloper naar bijna jacht, met veel tegenslagen. Heel veel tegenslagen. Altijd is er wel iets dat onverwachts stuk is gegaan of wat net even wat langer duurt voordat, dat gene wat stuk is, gemaakt kan worden. Zo is dat helaas bij ons nu ook het geval.

2016-07-07_002134[1]

Twee weken terug zijn we dapper begonnen met het bikken van de roest op de reling. Een paar man schuurde de kale plekken op de brug die waren ontstaan ontstaan na loop van jaren. Al snel was het voorwerk gedaan en begonnen we al met aflakken, oftewel de laatste stadium van verven. Alles leek op rolletjes te lopen totdat er een gedeelte van de houtendekplanken werden getrokken.

Lekkage! Onder de houtendekplanken was het staal helemaal aangetast door het zoute zeewater. De pennen, die de dekplanken en het staal bij elkaar houden waren helemaal weg gevreten. Van de honderd pennen die tevoorschijn kwamen waren er misschien nog maar twintig goed. Dat was niet het ergste. Nee, de gaten die waren ontstaan en de scheuren in de lasnaden baarde iedereen, vooral de baas, het meeste zorgen.

Na een top overleg tussen aandeelhouders, werf, verzekeringsmaatschappij en mensen die zeggen dat ze er verstand van hebben werd besloten om alle dekplanken er uit te rooien om de stalen platen op te knappen.

Net op het moment dat alles geschilderd was en de kotter juist knapper begon te lijken dan ‘De Groen Draeck’ werd het schip weer een sloper.
Op de verse verf zaten al snel houtsplinters, staalstof en teer.

Vreselijk veel teer. Alle dekplanken die worden los getrokken moeten worden ontdaan van hun laag teer die tussen de planken ooit had gezeten. Een helse klus die je nog geen Pool gunt om het te doen.

Zo lang de zon niet schijnt valt het klusje wel mee. Gemakkelijk krap je met een beitel of pakkingkrabber de teer van de planken af. Maar zodra de zon begint te schijnen is die verrekte teer net stroop die er voor geen mogelijkheid af wil.

Bloed, zweet en blaren is het gevolg wanneer je een hele dag heb staan teer krabben. Handen liggen open, pleisters werken niet meer desondanks de handschoenen die je draagt.

Het is een werkje waar je niet vrolijk van wordt maar die helaas toch echt moet gebeuren. Een klusje die je beter een stel gedetineerden kan laten doen zodat ze toch iets, ook al is het nog zo nutteloos, te doen hebben.

De timmermannen die speciaal van Urk af zijn gekomen om het dek op te knappen hadden juist een jong mannetje mee genomen die het teer moest krabben. Een bijdehand ventje moet ik erbij zeggen, die blij was dat hij niet hoefde teer te krabben omdat wij het van hem hadden over genomen.

Net op het moment dat mijn collega en ik druk bezig waren om een aantal planken te ontdoen van hun dikke teer laag kwam het bijdehandje langs lopen.

2016-07-07_002419[1]

‘Lekker klusje hè? Een visser is geen teerkrabber niet?’
‘Nee bijdehand mannetje,’ het liefst wilde ik hem in de haven slingeren.
‘ik heb wel een vak geleerd.’

Maar teer krabben? Dat zal nooit me hobby worden! En het bijdehandje? Die krijgt een duik in de haven als hij van de week nog een keer een bijdehante opmerking maakt.

facebook

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Webservice door: TexelOnline.com